Vulkaanbeklimmen
08/04/2009
College terrorisme, donderdag. Sinds 9-11 (3000 doden) vallen er per jaar in de VS 1500 autododen meer doordat mensen uit vliegangst de auto pakken. Bij Tsjernobil, de grootste kernramp ooit, kwamen 9000 mensen om, in de VS sterven er jaarlijks 10000 aan huidkanker door overmatig zonnen. Kortom: angst en daadwerkelijk gevaar komen niet overeen in het menselijk brein, de reden dat terrorisme zo voortreffelijk werkt. En ‘t laatste feit: we schatten menselijke gevaren bedreigender in dan natuurlijke. Dat laatste bleek dit weekend maar weer eens, bij vulkaanbeklimmen.
Het moest er een keer van komen natuurlijk. Mexico-Stad (2300 meter) is omringd door bergen van rond de 5000, en aangezien de
Columbiaan Juan Pablo, nog zo’n roekeloos rund, en ik, beiden nog nooit zo hoog geweest waren, lokten die al een paar weken. Dit weekend kwam het ervan. Met z’n vieren, andere waaghalzen: een Deens en ‘n Pools meisje, vrijdagavond naar boven geslingerd, via Amecuamecua (2900 meter), het laatste dorp voor de bergen, waar we vrijdagavond aankwamen. Zowel pesero’s als taxi’s waagden zich de bergen niet meer in, en dit was de eerste keer dat bureaucratie ons diende, het vrouwtje dat op de registratiepost van ‘t natuurpark werkte, moest toch die kant op en wilde ons wel even de laatste dertig kilometer naar boven rijden.
Boven was het koud, vooral, maar ook echt steenkoud. Officieel iets van vijf graden, maar met een ijzige bergwind deed ‘t Syberisch aan, wellicht ook omdat ik in korte broek en t-shirt liep. In een berghutje geslapen, vuurtje gestookt in de open haard waarvan de
schoorsteen echter dichtgemetseld was: hele kamer blauw van de rook, raam open, nog meer kou. Nog zo’n inschattingsfout: ik had ‘n voetbal mee, in de veronderstelling dat we ergens in een Alpenweitje zouden belanden. Maar niets, Mexico-Stad ligt al op de hoogte van een Alpenweitje, en de volgende dag zouden we steigen tot Refugio, een hutje op 4780 meter hoogte. Om vanuit daar te kijken of we de top, 5280 meter, konden halen. De hoogste top in de omgeving is trouwens de Popo, 5800 meter, maar die vulkaan is sinds 1996 weer actief en dus niet beklimbaar vanwege onbestemde maar weinig gezonde gassen.
Al na een paar kilometer zaten we boven de boomgrens, en nog iets verder zagen we hoe het gras ook opheild en overging in bruin-grijze rotstinten. De lucht werd dunner, onze Deen kreeg last van kortademigheid en de Pool van migraine, op 2/5 van de route moest ons reisgezelschap splitsen en gingen Juan Pablo en ik alleen verder. Op de kaart was de
beklimming een lullig stukje van een paar kilometer. Maar wel met 1200 meter klimmen, en dat liegt er niet om. Geen stukje dat vlak, rotsen, zand en stenen overal, en constant wegslipgevaar, zeker op die gare gympjes van mij. Die voetbal was echt het stomste idee ooit.
We komen zonder noemenswaardige val- en slippartijen aan op Refugio, een onverwarmd berghutje waar zich diverse Mexicanen en een paar Chilenen verschanst hebben, die morgen de klim naar de top willen maken. Ze palmen ons in met mooie verhalen en wij willen natuurlijk niet achterblijven: na een koude nacht op een houten vloer, in een vrijdagochtend gekochte slaapzak en matje, het totaal voor 11 euro dus veel bescherming biedt het niet, klimmen we zondagochtend naar boven. Refugio blijkt een natuurlijke grens tussen amateurklimmen en professioneel klimmen. Elke twee meter die we klimmen glijdt er iemand
anderhalve meter weg, de lucht is ijl, de wind snijdend, en de berg te stijl om op te lopen: het wordt handen-en-voetenwerk. En het meest verradelijke: steeds als je denkt dat je boven bent, zie je weer een andere top. Stoppen willen we niet, en die laatste 500 meter moet toch te doen zijn: aan de andere kant zou je bovendien een geweldig uitzicht hebben op Mexico-Stad en aan de eeuwige sneeuwgrens zitten (hoewel we elders horen dat door de klimaatverandering de hele boel wegsmelt, Refugio lag ooit op de rand van de eeuwige sneeuw). Het zand houdt op, het is nu puur op de rotsen klauteren met een duizelingwekkende stijlheid. De wind giert door, de rotsen zijn scherp en glijden soms weg, maar we willen die verdomde sneeuwgrens halen en klauteren door. Verkeerde weg gekozen, de boel loopt dood. Een stukje naar beneden, en dat is twaalf keer linker dan naar boven. Dan: we zien rode lintjes, onder stenen gelegd. Dat moet de route zijn: toch weer
naar boven. En om de 10, 20 meter pauze om uit te hijgen van spanning en de ijle lucht. Maar wel: als jongetjes genieten.
Van boven komt een klimmer, geheel in ornaat, met pikhouwelen, zonnebril en allerlei thermokleding. Hij kijkt ons een paar tellen aan, lijkt naar beneden te klauteren, maar bedenkt zich.
- ‘Verdomme, wat doen jullie hier? Weet je wel hoe hoog je zit? Moet je kijken hoe jullie erbij lopen. Jullie hebben geen beschermende kleding, geen geschikt materiaal, geen schoenen met noppen. Je moet op z’n minst een houweel hebben om je vast te grijpen als je valt. Waar
in jullie geval een beste kans op is. Jij (hij wijst naar Juan Pablo) hebt wel wandelschoenen aan, maar ze zijn oud en er zitten gaten in, ze bieden geen enkel houvast. En waarom heb je twee kleuren veters in? En jij (nu ben ik aan de beurt), je loopt erbij of je naar het strand gaat. Korte broek, en die schoenen (playeras, noemt hij ze, waar het woord playa in zit, strandgympjes dus, het predikaat schoenen niet waardig) liggen aan alle kanten open. Het is al onverantwoord daar mee te klimmen als ze nieuw zijn, laat staan als ze uit elkaar vallen. Kijk naar die kruizen, die overal om jullie heen op de rots staan. Vijf, zes, zeven, acht, en boven zijn er nog meer. Is dat decoratie, of wat denken jullie? Spot niet met de natuur. En slippertje en je ligt honderden meters lager. Jullie moeten het zelf weten, maar ik zeg, als ervaren klimmer, ik ging trouwens elke keer een stukje hoger, stukje bij beetje, om aan de hoogte te wennen, en ik wed dat jullie hier voor het eerst zijn, ik wil het ook niet eens weten, ik zeg: hou op en kom onmiddelijk naar beneden. Geen enkele berg is de dood waard. Gegroet.’
En de man vervolgt zijn weg, chagrijnig doch behoedzaam naar beneden. Wij kijken wat beduusd rond, de rukwinden zijn inderdaad belachelijk hard en de afgrond wel erg diep, die kruizen bovendien, bedenken we, staan er vast voor onbezonnen figuren zoals ons, met het enige verschil dat wij de avond ervoor dan geen fles tequila weggetikt hebben. Maar toch, de sneeuwgrens kan niet ver meer zijn. Twintig meter omhoog nog, en daar is een top, misschien is het al daarachter. En het heeft ook wel stijl al die bijdehandte klimmers weg te bokken en dezelfde klim gewoon op korte broek en gympjes te maken.
Nu komen er nog drie alpinisten aan, van onder, dit keer.
- ‘Jongens, wat doen jullie hier? Geen idee hoe gevaarlijk dit is? Als ik je vader was… Ik ken verhalen van mensen die als jullie gingen: jullie lichamelijke conditie is vast in orde, daar twijfel ik niet aan, maar bergbeklimmen is geen spelletje. Ik wil jullie straks niet de afgrond in zien slippen, en dan nog twee kruizen moeten neerzetten. Een van die kruizen daar (hij wijst naar een helling ergens beneden) - ik kende diegene. En die was wel voorbereid. Hou hiermee op, als de reddingsbrigade jullie ziet, krijgen jullie bovendien enorm op je donder.’
Nu begint het ons duidelijk te worden dat we toch te hoog zitten en inderdaad wel link bezig zijn. We besluiten terug te keren, zometeen, maar niet na eerst een goede lunch van appels en chocola weggetikt te hebben in het bergzonnetje. De terugweg is inderdaad gekkenhuis, werkelijk elke steen kan onder je weggelijden, soms is de boel zo stijl dat je amper ziet waar je je voet neerzet, en zelf slippen Juan Pablo en ik inderdaad regelmatig weg. En maar hopen dat je andere voet wel goed staat. Stenen en gruis glijden aan alle kanten naar beneden. En de wind maar doorgieren. Adelaars en gieren om je kop.
Maar toch, we bereiken het punt waar de rotsen overgaan in zand en naar beneden lopen
gezien het schoeisel van ons beiden geen optie is: het wordt dus maar glijden en zo en dan gaan zitten om af te remmen en hopen dat er geen stuk rots tussen je benen belandt. Schoenen vol zand en stenen, een tafereel dat zich, ook na Refugio, nog regelmatig herhaalt. Door alle glij- en valparrtijen halen we onze handen, onderarmen en enkels aan alle kanten open, ik vooral met die nare, profielloze gympen van me, maar we komen na een niet eens al te lange afdaling keurig op La Joya uit, op 3600 meter. Gras. Zelfs een enkele boom. Niet die troosteloze Mordor-omgeving: Lord of the Rings-grappen waren inderdaad niet van de lucht.
Maar nu moeten we weg zien te komen. Het is zes uur en het openbaar vervoer houdt precies om zes uur op, maar dan van een lager gelegen plek, Plaza de Cortes, zeven kilometer verderop. Eerst maar eens eten dus, want dat hebben we ook al twee dagen niet fatsoenlijk gedaan. Er zijn twee eettentjes, waar magere, rimpelige, donkerbruingeblakerde vrouwtjes met grijs haar en donkerblauwe steunkousen op een houtvuurtje quesadillas bereiden. Ondertussen praten we wat bij met het reddingsteam, dat keurig iedereen die naar boven ging heeft zitten tellen en ons dus zou zijn komen zoeken als we niet tijdig naar beneden gekomen waren. Dat we zo hoog waren was inderdaad niet handig, zeggen ze, maar we hebben het overleefd en er hebben mensen gekkere dingen gedaan. Maar ons meenemen naar DF kunnen ze niet. Vraag het even aan Don Carmelo, zeggen ze, de verkoper van de quesadillas, die neemt wel vaker gestrande reizigers mee.
Don Carmelo is zo’n typische Don Carmelo, klein, breed, enorme hoed, pantalon en ruitjesbloes waar door het stof en het lang dragen de kleuren al niet meer van te definieren zijn. Zware stem, sigaretten zonder filter, en hij wil ons wel in zn laadbak meenemen. Dus als hij en de grijze indianenvrouwtes de hele toko - stoelen, kratjes frisdrank, 38 sauzen en bakken groente, het houtvuurtje, ofwel het hout en de ijzeren plaat waarop ze quesadillas bereiden, ingeladen hebben, mogen wij in de bak. Het kleinzoontje, een ventje van vier met wie we al een half uur zitten te dollen en die mijn net nieuwe matje al tot gort heeft gescheurd en gebeten, wil bij ons in de bak, maar Don Carmelo geeft hem een tik en zet ’m brullend voorin.
Dan nu, als eind van ons avontuurtje, denderen we in een schuddende laadbak waar je geen twee tellen overeind blijft zonder jezelf vast te houden, over een zandpaadje de berg af, dertig kilometer lang, tussen allerlei kliffen door met onheilspellende, in de mist gehulde toppen, waar wij er dus een (bijna) van bedwongen hebben. Naast ons stoomt de Popo onverstoorbaar zijn giftige gassen uit, achter ons glijdt onze berg de verte in. Don Carmelo pikt ondertussen op de route allerlei gelijken op, indianen (al mag je dat niet zeggen, in kleurige kleden gehulde mensen met een inheemse tint van 1 meter 40 of 50 met die diepbruine, gerimpelde huid) die eten op de route verkochten en hun haardvuurtje snel uittrappen als de laadbak voorrijdt. De verkopers verdwijnen steeds voorin – geen idee hoe het past – hun spullen achterin, onze positie steeds benardend makender. Slechts een keer ontlast Don Carmelo ons: hij wil weten waar het vuilnis gebleven dat hij achterin had gedumpt. We geven hem een paar zakken, Don Carmelo loopt demonstratief naar een afgrond en dondert de hele boel naar beneden, op een berghelling die compleet bezaaid ligt
met afval. Nationaal park heet dat dan, drinkwaterreservoir voor Mexico-Stad. Dat door de klimaatverandering dus toch al uitgedroogd is.
En nu, Zouden Remco en Juan Pablo hun lesje geleerd hebben? Welnee, het volgende plan is immers al geboren: op de fiets naar Oaxaca, 500, 600 kilometer naar het zuiden, waar de rest van onze gang momenteel een stereotype strandvakantie aan het houden is, waar wij dus beiden voor pasten, reden dat we in de bergen belanden. Ook onderweg naar Oaxaca zijn bergen, dus dat belooft wat, en bovendien veel doprjes waar mensen je gratis in hun schuur laten slapen. Hopen we. Maar volgens Juan Pablo gaat het in Colombia net zo, en onze Columbiaanse gang, het zijn er acht ofzo, ik ga hier bijna meer met Columbianen dan met Mexicanen om, vindt de landen cultureel best op elkaar lijken. We zullen zien.
Wilde net typen: nu maar hopen dat je dat ‘er hebben mensen gekkere dingen gedaan’ niet als uitdaging opvat. las toen helaas de laatste alinea…
Haha, wat ben je ook een gekke aap. Prachtige avonturen, maar pas een beetje op, want we moeten nog treinen in Wallonië van de zomer… Mmm, wat klinkt dat ineens saai nu.
Held
Een mooi avontuur! Je status wordt weer eens waargemaakt. Laat het horen als je binnekort een tsunami of tornado bedwingt
Dit verhaal maakt mij overigens pijnlijk duidelijk dat ik al weer veel te lang op mijn gat zit. Tijd voor aktie!!
[...] Aangekomen bij checkpunt vijf realiseer ik me dat ik al zeker een half uur niemand gezien heb die zoals ik niet voorzien is van bergwandelschoenen en klimstokken. Alleen het meisje dat al een tijdje voor me uitliep, maar zij blijkt de route vaker te hebben gelopen. Zij gaat terug, want even verderop begint het echt bergbeklimwerk, met klimtouwen en zo. Het is jammer, maar de top zit er niet in vandaag, niet met mijn burgerkloffie, dat is echt onverantwoord. Glibberend en glijend maak ik de afdaling, met daarbij af en toe een schietgebedje. Heerlijke zaterdagmiddagwandeling. (Noot: het is een peulenschil bij de avonturen van vriend Remco in Mexico.) [...]
rrrr…. het is maar goed dat ik niet in je buurt ben. Dan had ik je namelijk heel hard aan je oren getrokken…
(maar ik moest stiekem wel erg lachen)
Als ik je moeder was … Heleen
Respect! Wederom een geniaal verhaal. Hoe is het met de bal afgelopen?